skip_navigation_text skip_navigation_text
  • NL Nederlands
  • lees voor
  • rss
Uw zoekopdracht Uw zoekopdracht

400 jaar straatverlichting in Den Haag

Gepubliceerd: 09 september 2009 Laatste wijziging: 15 december 2010

In 1570 werden de eerste straatlantaarns in Den Haag ontstoken: 33 kaarsjes, in het deel van Den Haag dat nu de oude binnenstad is. Nu gebruiken we zo’n 5600 lampen voor dit stukje stad en 61.000 lichtpunten in de hele stad. Het belangrijkste doel van straatverlichting is nog steeds hetzelfde: veiligheid.

Straatverlichting in 1570

1570, het prille begin

De geschiedenis van de straatverlichting in Den Haag begint op 14 december 1570. Toen nam het stadsbestuur het besluit Den Haag straatverlichting te geven. Er werden 33 lantaarns geplaatst. Niet veel, maar Den Haag telde in die tijd maar zo'n 1000 huizen. Een stedelijke rekening uit 1638 vermeldt dat de man die ‘voor het ontsteecken van 33 lantaernen, doorgaens door de Haeghe’ verzorgde, van de Magistraat een nieuwjaarsfooi had gekregen van 42 stuivers.

1673, het ontwerp voor de Haagse straatlantaarn

In 1679 kwamen er olielampen in de stad. Bronnen uit 23 januari 1673 vermelden dat Jan van der Heyden 93 gulden ontving voor het maken van een ontwerp voor de Haagse straatlantaarn. Het duurde tot 1679 voor de 300 bij Van der Heyden bestelde lantaarns in Den Haag waren geplaatst.

1780, het tijdperk van de gaslampen

De Nederlander Jan Pieter Minckelers ontdekte rond 1780 dat steenkoolgas niet alleen geschikt was om luchtballons te vullen, maar ook zeer brandbaar was. In Den Haag werd het Binnenhof gekozen als plaats voor een eerste experiment met de gaslampen. Op 2 januari 1820 werden de gaslichten ontstoken en de bewondering was groot. Maar het experiment duurde uiteindelijk maar een dag of 10. Al snel ontstond er een schoorsteenbrandje boven de 'gas-stookplaats', die zich in een van de kelders van de Ridderzaal bevond.

1844, de gemeente gaat uitbesteden

In de loop van tijd begon de gemeente wat te voelen voor het uitbesteden van de verlichting. Er werd een 30-jarig experimenteel contract afgesloten met de fabriek Goldsmid en Co. Goldsmid beloofde buizen te leggen, lantaarnpalen te plaatsen en de stad te verlichten met 880 gaslantaarns. Die bestonden uit 280 eersteklas lichten (met 14 kaarsen) en 600 van de tweede klasse (8 kaarsen). Ook streefde Goldsmid ernaar om op 1 januari 1846 alle straatverlichting, met uitzondering van Scheveningen, omgeschakeld te hebben op gas.

1853, klachten en overname

In 1853 werd er een Bond van (ontevreden) Haagse Gasverbruikers opgericht. In maart 1853 uitte deze bond zijn klachten tegen het gas uit de fabriek van Goldsmid: "Het Haagse gas had vergeleken met andere gasleveranciers in den lande: weinig lichtkracht, grote consumptie, hoge prijzen en een onbegrijpelijk slechte constructie van de waaijerbek". Burgemeester en wethouders beloofden de zaak te onderzoeken. De raad besloot dat de gasleverantie na 1 januari 1875, de datum waarop het contract met Goldsmid afliep, in handen van de gemeente moest komen.

Straatlantaarn in overgangsfase van gas naar elektriciteit

1900 -1920, van gas naar elektriciteit

Na de opkomst van de elektriciteit, was het snel over met het gaslicht. De Eerste Wereldoorlog versnelde het proces ook, omdat een tekort aan kolen ervoor zorgde dat het gas op rantsoen moest. Er werd besloten om het gaslicht in de stad te vervangen door elektrisch licht, omdat de opwekking daarvan minder kolen kostte. Toch had Den Haag in 1905 nog steeds 3 openbare olielantaarns uit de achttiende eeuw. In 1910 werd de laatste olielantaarn opgeruimd.

1920 - 1945, grote stappen vooruit

In 1920 voorzag het Gemeentelijke Energie Bedrijf (GEB) voor het eerst 16 buitenreclames in Den Haag van licht en verschenen ook 7 verlichte elektrische klokken op straat. In 1924 waren er nog 15 gaslantaarns. Die hebben het uitgehouden tot 1967, toen werden ook deze laatste gaslantaarns vervangen.

In 1926 begon het aantal verlichte verkeersborden te groeien: er kwamen 15 verlichte verkeerszuilen. Dat was even wennen: in hetzelfde jaar werden 9 verkeerszuilen aangereden!

In het ‘Vaderland’ (een liberaal ochtendblad) van 7 juli 1927 verklaarde de psycholoog dr. Zwanenburg waarom er automobilisten waren die verkeerszuiltjes omver reden. Volgens de psycholoog kwam dat door de werking van het oog bij het waarnemen van kleuren. De verkeerszuiltjes hadden meestal rood of groen licht; volgens Zwanenburg zou blauw of geel beter zijn in verband met het functioneren van het netvlies.

In 1933 had de stad 16.639 openbare gloeilampen met een totaal vermogen van 1858 kilowatt. Nog eens 66 kilowatt werd gebruikt door 904 gloeilampen in verkeerstekens, 276 in alarmcellen, 885 in lichtreclames en 167 in urinoirs.

1952, bijzondere en afwijkende lampen

In 1952 werd het brandstofrantsoen opgeheven en waren alle beschikbare lampen van het GEB weer in bedrijf. In dat jaar had de afdeling Openbare Verlichting van het GEB ongeveer 3000 bijzondere en afwijkende lampen in beheer die ook onder de ‘Openbare Verlichting’ vielen. Dat werd uiteraard allemaal keurig bijgehouden: 266 verkeerszuilen, 139 verkeerspijlen, 10 verkeerstekens, 3 verkeersborden, 2 verkeersbakken, 1 verkeersapparaat en 2 verkeersstoven, 4 automatische seinapparaten, 20 stoplichten bij bruggen, 3 armaturen onder de brug over de Brouwersgracht, 117 urinoirs, 3 parkeerterreinen, 126 alarmcellen, 13 lichtbakken, 4 lampen op het woonwagenkamp aan de Lozerlaan, 1 tijdklok in de hulpsecretarie in Loosduinen, 2 taxistandplaatsen, 5 verlichte stadsplattegronden, 62 elektrische klokken en 1 knipperlicht.

1970 - 1980, energiecrisis

Begin jaren ‘70 was de energiecrisis voor veel activiteiten in Nederland een enorme rem. De overheid legde energiebeperkingen op. Voor de openbare verlichting op elektriciteit, is toen een ontwikkeling gestart die nu nog steeds zichtbaar is. Begin jaren ‘70 werd namelijk een type lamp ontwikkeld met zo'n hoog rendement dat we deze verlichting nu nog steeds veel toepassen bij wegen: ‘de lage druk natriumverlichting’. De lamp had een lange buisvorm voor een goede lichtverdeling. In Den Haag is dit lamptype veel gebruikt. U herkent ‘m aan het diepe gele licht waarbij kleuren als grijs, bruin, groen, blauw en rood ongeveer dezelfde troebele kleur krijgen.

1980 - eeuwwisseling

In de jaren '80 en '90 waren er weinig veranderingen op verlichtingsgebied in Den Haag. Energiebesparing was voor de politiek erg belangrijk. Het Haagse beleid was hier ook op gericht. Door de economische crisis en de slechte financiële situatie van de gemeente, werd deze insteek zelfs nog belangrijker.

Halverwege de jaren '90 komt er meer belangstelling voor straatverlichting, door de economische groei in Nederland en door een toenemende politieke belangstelling voor veiligheid op straat (straatverlichting is feitelijk een veiligheidsvraagstuk).

De beleidsnota 'Op Straat Gezet' verscheen. Hierin werd architectuur en verlichting weer aan elkaar gekoppeld. De lamphouders en lantaarnpalen zoals ze bij de bouw van woonwijken in de jaren '20 tot '40 ontworpen waren, werden weer (met verbeterde lichttechniek) teruggeplaatst. Voorbeelden zijn de wijken Vogelwijk, Archipelbuurt en Laakkwartier.

1999 – heden

Nadat eind jaren ’90 de politieke discussie over de taakverdelig markt – overheid zich verder ontwikkelde, is in 1999 de straatverlichting weer als kerntaak bij de dienst Stadsbeheer terecht gekomen. De NV HOD werd ontbonden en alle uitvoerende werkzaamheden werden verder richting de “markt” geschoven. In de eerste jaren vooral naar ENECO-dochter CityTec waar, op basis van een convenant, het meeste personeel van de HOD terecht was gekomen. Tegenwoordig worden de uitvoerende werkzaamheden openbaar aanbesteed.

Een recente ontwikkeling op het gebied van veiligheid op straat is de toepassing van wit licht. Dit gebeurt met lampen die maar eens in de 15 jaar vervangen hoeven te worden. Het licht en de kleuren op straat zijn met dit witte licht veel aangenamer en het gevoel van sociale veiligheid en de verkeersveiligheid is toegenomen. Voorbeelden van deze verlichting vindt u onder andere op het Spui, de Burgemeester Patijnlaan, het Palaceplein en het Deltaplein.

In 2009 laat de kredietcrisis in volle omvang zijn effecten zien en besluit het gemeentebestuur een grote vervangingsslag in de straatverlichting te maken. Niet alleen wordt door het grootschalig vervangen van verouderde verlichting de economie gestimuleerd, ook op het gebied van veiligheid (wit licht en minder storingen) en duurzaamheid (energiezuinige lampen) wordt een grote stap voorwaarts gezet.

Zie ook

Stuur artikel door

*verplicht

Volg DenHaag.nl

Altijd op de hoogte blijven van het nieuws over Den Haag en de ontwikkelingen in de stad? Meld u aan voor een van de nieuwsbrieven of volg ons via Twitter.

Aanmelden